Einde. Een einde heeft een boodschap. Een einde vertelt dat iets ooit begonnen is. Een einde betekent dat iets over is. Het is niet meer. Het kan niet meer. Het mag niet meer. Maar ooit is het begonnen.
Bij mij is het begonnen, 24 jaar geleden. Met mijn vader en mijn tweelingzusje. Ik was zeven. Naar het hockeyveld. Er lag nog maar één kunstgrasveld. Zand natuurlijk. Het eerste jaar, of een deel er van, alleen maar trainen. Ik hou van trainen. Ik weet niet of ik ook van trainen hield. Dat eerste jaar.
Al vaker was ik op het hockeyveld geweest. Met mijn vader. Kijken bij een team dat hij coachte. Ik was een mini. Met mijn zusje of met mijn broer. Mee naar de voorbespreking bij een speler thuis. Een studentenhuis of bij ouders. Ik weet nu wat die jongens destijds misschien dachten. Ik ben speler. Geweest. Ik vond het leuk. Er waren koekjes. Heel stil zijn bij de voorbespreking. Op de bank tijdens de wedstrijd. Mijn vader schreeuwde. Ik denk dat ik het leuk vond. Ik ging vaak mee. Na de wedstrijd was het spannend. Misschien mocht ik wel een broodje kroket. Of een biertje ruilen voor een AA-tje. Bier ruilen. Ik was nog jong.
Ik hockeyde een jaartje. Ik was spits. Wij waren slecht. Scoorden nooit. Ik in ieder geval niet. Het opvolgende jaar wel. Ik scoorde vijf keer. Mijn tweelingzusje. Ook spits. Vijftien. Zij scoorde vijftien keer. Ik werd keeper. De keeper van Hilversum, de club van mijn vader. Volgens mij heet hij Robert. Robert was stoer. Hij was keeper. Misschien is hij nog steeds keeper. Hij wel.
Ik had spijltjes. Leren legguards met spijltjes. Als het nat was zogen ze zich vol. Als het koud was had ik bevroren voeten. Als het warm was had ik zweet. Ik speelde ook nog wel eens. Maar ik was keeper. Ik was altijd al keeper. Als baby lag ik op mijn buik met een hockeystick in mijn rechterhand. Ik was altijd al keeper. Volgens mij vond ik het leuk.
Ik speelde bij Alkmaar. Ik won het toernooi van Alkmaar. Kaasbolletjes toernooi? Truitje toernooi? Geen idee. We wonnen op strafballen. Op een grasveld. Ik stopte de beslissende. De bal was zacht. Bleef liggen op de in het gras gesleten doellijn. Het doel had nog geen net. Het was een plank.
In de C ben ik gescheiden. Mijn zusje mocht niet naar de C1. Ik wel. Ik was keeper. Foam. Er kwam foam. De keeper van mijn vader had foam. Witte OBO’s. Witte. Mijn coach kwam bij mij thuis. Ik kreeg foam. Zwarte Mercian. Ze waren niet wit. En geen OBO. Ik was trots. Tot de eerste wedstrijd. Ik verloor van de Terriërs. Het kwam door mijn legguards. Nooit meer foam. Tot de volgende training.
Ik was keeper. In de huiskamer. Op straat. Mijn spullen trok ik thuis al aan. De auto in. Zonder helm. De auto uit. Helm op. Veld op. Hockeyen deed ik allang niet meer. Mijn stick zat rechts. Links een leren stinkende handschoen. Toen nog wel.
Een B-tje. Een heel jong B-tje. Ik speelde tegen de kraaien. Een oefenwedstrijd met Dames 1. Ik denk dat we wonnen. Ik werd een senior. Ik was een junior. Nog heel erg een junior. Ik mocht naar dames 1. Ik scheurde mijn enkelbanden.
Ik was keeper. En ik was geblesseerd. Het was mijn leven. Heel lang mijn leven. Het is mijn herinnering. Het zijn mijn vrienden. Zo is het begonnen. Nu is het verleden.
Donderdag nog één keertje. Nog één keertje vliegen. Dan is het klaar. Een einde heeft een boodschap. AA-tje ruilen voor een biertje.






Met le Tour op televisie, en in vive la France op de weg, de fors stijgende verkoop van racefietsen in eigen land (meer dan verdubbeld sinds 2004), 9 million bicycles op de radio, en steeds meer van mijn vrienden die het op deze snelle jongens gaan proberen, waag ik me aan een verhaaltje over, hoe verrassend, de fiets. Uiteraard wordt dit alles ook ingegeven door het feit dat ikzelf niet vies ben van een rondje trappen en dat ik mezelf bijna weer fietser mag en kan gaan noemen.





